Sint-Pietersabdij muurschilderingen plafond
© Marthe Hoet

His­to­riek en ver­ha­len

De Sint-Pietersabdij heeft haar bestaan te danken aan de christelijke missionaris Amandus. Die komt in de zevende eeuw in opdracht van koning Dagobert I naar Gent. Hij predikt er het christendom en wil er ook een abdij stichten. Het worden er uiteindelijk twee.

Hoe het allemaal begon…

De Sint-Pietersabdij heet oorspronkelijk Blandinium, naar haar locatie op de Blandijnberg. In de beginjaren kunnen zowel mannelijke als vrouwelijke religieuzen er terecht maar al gauw wordt de abdij definitief een mannenklooster. De andere stichting van Amandus is een kerk, Ganda, die uitgroeit tot de abdij van Sint-Baafs. Vanaf de tiende eeuw kennen we Blandinium als Sint-Pieters. De vraag welke abdij er het eerste was, veroorzaakt vanaf de tiende eeuw een echte vete tussen de twee abdijen. Om het grote gelijk te halen, schuwt men grove geschiedvervalsing niet …

De Vikingen

Tot in de negende eeuw is de Sint-Baafsabdij veruit de welvarendste van de beide abdijen. Daar brengt de komst van de Vikingen in het midden van de eeuw verandering in. Oog in oog met het Deense leger, slaan de kloosterlingen op de vlucht. De Pieterlingen keren veel vlugger terug dan hun concullega’s en maken van de gelegenheid gebruik om een dominante positie in de kerkelijke organisatie van Vlaanderen te veroveren.

Dat men vanaf het einde van de negende eeuw de overleden leden van de grafelijke familie in de abdijkerk van Sint-Pieters begraaft, speelt hierin een belangrijke rol. Door toedoen van graaf Arnulf I van Vlaanderen ontpopt de Sint-Pietersabdij zich in de daaropvolgende eeuw tot het religieuze centrum van het graafschap Vlaanderen. Onder zijn beleid wordt ze een benedictijnenabdij. De prestigieuze relieken die de graaf in de abdij laat onderbrengen, leggen haar geen windeieren. 

De abdij en de vorst

Het belang van de Sint-Pietersabdij is af te lezen uit de manier waarop Gent de Blijde Intredes van nieuwe vorsten organiseert. Na zijn troonsbestijging, doorkruist iedere nieuwe vorst de Nederlanden. Op zijn tournee huldigen de steden hem en bekrachtigt de vorst op zijn beurt hun rechten. Zo verzekert hij zich van zijn machtpositie. In Gent is de Sint-Pietersabdij altijd de eerste bestemming van de vorst. Daar ontvangt hij het justitiezwaard van de graaf van Vlaanderen en bevestigt hij de vrijheden en rechten van de abdij. Pas daarná laat hij zich inhuldigen in de stad. 

De plechtigheden in de abdij hebben een grote symbolische waarde. De vorst maakt duidelijk dat hij zijn gezag van God heeft ontvangen en de abdij verzekert zich van haar bevoorrechte positie. De Blijde Intredes worden dan ook met bijzondere luister gevierd. Het scenario is nagenoeg altijd hetzelfde.

De nacht voor de ceremonie overnacht de vorst in het kasteel van de abt in Zwijnaarde. 's Morgens begeeft hij zich met zijn gevolg naar het Sint-Pietersdorp. Daar wordt hij begroet door de hoogste geestelijken van de stad. Zij vergezellen hem naar de Sint-Pietersabdij waar ze worden opgewacht door de abt en zijn monniken. Samen wonen ze dan een plechtige mis bij in de abdijkerk. Na afloop omgordt de abt de vorst met het justitiezwaard van de graaf van Vlaanderen. De vorst legt de eed af en ze verlaten de kerk. De dag eindigt met een feestmaal in de abdij.

Tussen vorst en stad

Dankzij de landbouw voorzien de monniken in hun dagelijkse behoeften. De Sint-Pietersabdij bezit en exploiteert domeinen en hele dorpen tot in Engeland. Ze speelt bovendien een belangrijke rol in de Vlaamse ontginningsbeweging die in de twaalfde en dertiende eeuw bossen, heide en moeras omzet in vruchtbare landbouwgrond. Zo verwerven vele abdijen een reusachtig patrimonium van onroerende goederen. Schenkingen van weldoeners die hun bevlekte ziel willen vrijkopen, vergroten deze rijkdom nog. 

Tot in de dertiende eeuw speelt de Sint-Pietersabdij een sleutelrol in het economisch leven. Daarna krijgt ze het moeilijk. Ondoordachte aankopen en leningen, hongersnoden en een ambitieuze bouwpolitiek brengen de abdij op de rand van het bankroet. Bovendien neemt de impact van de benedictijnen op het maatschappelijk leven af. Nieuwe bedelorden zoals de dominicanen en de franciscanen nemen het van hen over. Hun actieve prediking en leefwijze bieden betere antwoorden op de uitdagingen van een verstedelijkende maatschappij.

De abdij wordt meer en meer de speelbal van de vorst. Door zijn gunstelingen tot abt te laten benoemen, verwerft hij een doorslaggevende stem in de toekenning van de belastingen. Hierdoor komen de Gentse abdijen bij de vele conflicten van de stad met de landsheer meer dan eens in nauwe schoentjes.

Zuiveringen en verwoestingen

Al van in de vijftiende eeuw komt er protest tegen het verval binnen de katholieke kerk. De publicatie van de 95 stellingen door Maarten Luther betekent in 1517 het begin van de Reformatie. In Vlaanderen krijgt het calvinisme heel wat aanhangers. Vanaf het midden van de zestiende eeuw verscheurt een politiek-religieuze crisis dan ook de Nederlanden. De abdijen komen zwaar onder vuur te liggen. Ook voor de Sint-Pietersabdij heeft dit desastreuze gevolgen.

 
In de zomer van 1566 slaat de vlam in de pan. Na afloop van een protestantse preek, dringen een twintigtal toehoorders een nabijgelegen klooster binnen en slaan er religieuze beelden aan stukken. De opstand verspreidt zich als een lopend vuurtje over de Zuidelijke Nederlanden.

De beeldenstormers sparen ook Gent niet. Ze slaan altaren, heiligenbeelden, schilderijen en glasramen aan diggelen. De Sint-Pietersabdij krijgt het zwaar te verduren. Zowel de abdijkerk, de bibliotheek als de abtswoning, lijden schade. Wanneer de gemoederen wat zijn bedaard, kan het herstel beginnen.

In 1568 komen de Nederlanden in opstand tegen koning Filips II. De calvinisten grijpen een tiental jaren later de macht in Gent en bezetten de Sint-Pietersabdij. Het is de start van een tweede ‘zuiveringsactie’. De abt en zijn monniken vluchten naar Douai. In de parochiekerk naast de abdij krijgt de calvinistische eredienst een plek maar de abdijkerk moet eraan geloven. De abdijgebouwen wil men verkopen om met de opbrengst de nieuwe stadsomwalling gedeeltelijk te bekostigen. 
    
Zo ver komt het echter niet. In 1584 dwingt landvoogd Farnese het calvinistische Gent op de knieën. De benedictijnen komen terug. De eens zo machtige Sint-Pietersabdij is dan niet veel meer dan een ruïne. De abdijkerk en het dormitorium zijn verwoest en deels afgebroken, de abtswoning en de proosdij hebben zware schade opgelopen en de bibliotheek is geplunderd.

Een prinsheerlijke abdij

De heropbouw van de Sint-Pietersabdij is een loodzware opdracht. Pas in het eerste kwart van de zeventiende eeuw krijgt het financieel herstel en de materiële wederopbouw stilaan vorm. De nieuwe abdijkerk, naar het voorbeeld van de Sint-Pieterskerk in Rome, is de parel aan de kroon. Vrijwel een eeuw lang werkt men aan de realisatie ervan…

Vanaf de zeventiende eeuw kent Gent een sterk katholiek reveil. Toch blijft de Sint-Pietersabdij kampen met financiële en disciplinaire problemen. Pas vanaf de benoeming van abt Musaert in 1720 gaat het beter. De abdij wordt de uitgelezen ontmoetingsplaats voor vergaderingen, plechtigheden en feesten. De vooraanstaande persoonlijkheden die de abdij aandoen, moeten in stijl worden ontvangen. Het gebouw evolueert dus tot een vorstelijke verblijfplaats die kan wedijveren met de kastelen of stadspaleizen van edelen en gegoede burgers. Een luxueus abtskwartier, inclusief rijkelijk aangeklede interieurs, serres en een orangerie, hoort daarbij. 

Daarna laat abt Filips Standaert de refter en de bibliotheek volledig naar achttiende-eeuwse smaak herinrichten. Ook zijn opvolger, prelaat Gudwalus Seiger, bijgenaamd Le Magnifique, heeft grootse bouwplannen. Hij laat een nieuwe infirmerie in classicistische stijl optrekken. De Sint-Pietersabdij is op dat ogenblik de rijkste abdij van de Nederlanden… 

Het begin van het einde

Abt Martinus van de Velde volgt Gudwalus Le Magnifique op in 1789, het jaar van de Brabantse Omwenteling. De Zuidelijke Nederlanden keren zich tegen het Oostenrijkse gezag van keizer Jozef II en opnieuw ligt de Sint-Pietersabdij zwaar onder vuur. De herovering van de macht door de Oostenrijkers een jaar later, brengt jammer genoeg geen soelaas. 

De Fransen verdrijven de Oostenrijkers en trekken in 1792 Gent binnen. Uiteindelijk heffen ze alle religieuze instellingen met één pennentrek op. De 31 monniken van de Sint-Pietersabdij moeten die in 1796 verlaten en mogen geen kloosterkleed meer dragen. Alle goederen worden nationaal bezit. Het is het sluitstuk van een langzaam proces van sociale veranderingen die de invloed van kloosters sterk hebben verminderd.

En dan?

De abdijkerk krijgt in 1798 een nieuwe bestemming. De volgende tien jaar doet zij dienst als het Musée du Département de l’Escaut, de voorloper van het Museum voor Schone Kunsten. Vanaf 1803 staat ze ook gedeeltelijk terug open voor de katholieke eredienst. Voortaan heet de kerk de Onze-Lieve-Vrouw-Sint-Pieterskerk. De bibliotheek brengt men in 1798 over naar de Baudelo-abdij. Daarna gaat het richting Gentse Universiteitsbibliotheek, die de kostbare werken nu nog steeds bewaart.

De abdij en de stad

De rest van de abdijgebouwen vergaat het minder goed. De stad Gent koopt ze in 1810 op en richt ze in als kazerne. De parochiekerk, het luxueuze abtenkwartier en de proosdij met de gevangenis, gaan tegen de grond. Zij moeten plaats ruimen voor een militair oefenterrein. In 1849 krijgt het plein voor de abdij zijn huidige vorm naar het ontwerp van architect Charles Leclerc-Restiaux. Waar nu de tuin is, trekt men paardenstallen, latrines en andere nutsgebouwen voor militaire activiteiten op. 
In 1948 is de kazernetijd van de abdij gelukkig voorbij. De stad wil de Sint-Pietersabdij restaureren en er een culturele functie aan te geven. De militaire gebouwen in de tuin worden gesloopt...

Een werk van lange adem

Hun periode als kazerne doet de abdijgebouwen geen deugd. De kruisgang is in hokjes opgedeeld, het maaswerk van de vensters nagenoeg verdwenen, de kapittelzaal dicht gemetst, het mortuarium van een verdieping voorzien, enz. De werken van de jaren 1950 en 1960 zijn dan ook zeer ingrijpend. Men begint met de restauratie van de kruisgang. Vóór 1958 is de kapittelzaal gerestaureerd.

De achttiende-eeuwse bibliotheek, ooit de meest geprezen ruimte in de abdij, valt niet meer te redden. Van een tot de verbeelding sprekende hoge zaal vol waardevolle handschriften en boeken maakt men twee boven elkaar gelegen zalen op de eerste en tweede verdieping. 

Na 1958 komt de westvleugel met de lokalen onder de refter en de oude keuken aan de beurt. In de loop van de jaren 1960 en '70 volgen de achttiende-eeuwse infirmerie (nu het Huis van Kina), de wijnkelder en de zolders. De restauratie van de reftervleugel is het sluitstuk van de omvangrijke campagne die de Sint-Pietersabij voor verder verval moet behoeden...